Voorjaarsconcert ‘100 jaar na Claude Debussy (1862-1918)’

Informatie over programma en kaartverkoop via: www.stadsschouwburgendevereeniging.nl Tel. kassa (in Stadsschouwburg): 024 – 322 11 00 (ma-vr 09:30-17:30, za 11:00-16:00)

Op 8 april 2018 klinkt muziek van Debussy in drie concerten in de Kleine Zaal van Concertgebouw De Vereeniging. ’s Ochtends om 11:00 uur trappen leerlingen van privédocenten en van De Lindenberg af met pianowerken. Sebastiaan Oosthout zal met enkele van zijn leerlingen ook quatre mains spelen. Daarnaast zal Femke Hulsman, nadat zij als pianist is opgetreden, ook twee van Debussy’s liederen zingen. ’s Middags om 14:00 uur spelen de pianisten Nata Tsvereli en Paul Komen een programma geheel gewijd aan Debussy’s Images: de bundels voor piano solo Images I en Images II, en na de pauze een transcriptie voor piano quatre mains van Debussy’s Images pour Orchestre. Als de uitvoering van deze transcriptie al geen Nederlandse première is, dan toch zeker een zeldzame kans om deze prachtige muziek in een versie voor twee pianisten te kunnen beluisteren. Van 15:30-16:30 uur wordt een ‘grote pauze’ ingevuld door Stadsschouwburg & De Vereeniging, met Franse kaas en wijn in het restaurant van De Vereeniging. Deze muzikale dag wordt afgesloten met het concert van 16:30 uur, waarin kamermuziek zal klinken. Musici van het Ensemble Lumaka brengen een programma dat is samengesteld rondom Debussy’s Sonate voor fluit, altviool en harp. Debussy’s vernieuwingen inspireerden vanzelfsprekend andere componisten. In dit slotconcert klinken naast twee werken van Debussy ook werken van Dubois, Smit en Takemitsu voor de combinatie fluit, altviool en harp. Dit concert heeft geen pauze en duurt tot 17:30 uur.

Volgens Pierre Boulez nam de moderne muziek in 1894 een aanvang met de eerste uitvoering van Claude Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune. Na de première van de opera Pelléas et Mélisande in 1902 was Debussy’s naam als vernieuwend componist definitief gevestigd. Daarna componeerde hij verschillende andere meesterwerken, waarbij hij ervoor oppaste zichzelf te herhalen en steeds op zoek was naar vernieuwingen. Debussy besefte heel goed dat hij zijn vernieuwingen op alle fronten tegelijkertijd moest doorvoeren, wilde hij voorkomen dat zijn ideeën zouden stranden als louter interessante experimenten. Dus dat deed hij: Debussy veranderde vorm, frasering, harmonie en instrumentatie van de muziek simultaan. Geen grote kunst zonder durf.

Daarbij werd Debussy in grote mate geïnspireerd door beeldende kunst, poëzie, literatuur en de natuur. Deze beïnvloeding is terug te vinden in de titels van veel van zijn werken. De interpretatie van die werken heeft tot veel discussie geleid: begrijpelijkerwijs kan worden gedacht dat Debussy ook daadwerkelijk iets bepaalds wilde uitdrukken of weergeven – bijvoorbeeld de zee in het orkestwerk La Mer – maar zelf benadrukte hij dat het enkel om inspiratiebronnen ging, en dat het kunstwerk als resultaat door iedere luisteraar verschillend geïnterpreteerd wordt, dus een bepaald onderwerp niet definitief kan uitdrukken. Hij ontkende dan ook stellig een ‘impressionist’ te zijn, een etiket dat hem vaak opgeplakt werd. Dit was voor Debussy temeer een serieuze zaak, omdat impressionisme door velen met vaagheid geassocieerd werd, terwijl hij in zijn partituren juist heel precieze speel- en interpretatieaanwijzingen gaf om zijn bedoelingen duidelijk te maken. De bijzondere klanken en nuances, juist zo kenmerkend voor zijn muziek, kunnen wegvallen bij een te vrije omgang met het muzikale materiaal. Dat Debussy erg kritisch was op de uitvoerders van zijn muziek is dan ook volkomen begrijpelijk.

Toen Debussy overleed in 1918, dit jaar precies een eeuw geleden, was er een indrukwekkende hoeveelheid prachtige muziek uit zijn pen gevloeid. Dit ondanks het feit dat hij vaak een trage werker wordt genoemd. Hij schreef veel pianomuziek, vanaf zijn eerste tot zijn laatste jaren als componist, enkele grote orkestwerken, één opera en veel liederen. De kamermuziek was er bijna stiefmoederlijk vanaf gekomen als hij niet aan het eind van zijn leven drie kamermuzieksonates had toegevoegd aan zijn œuvre. Deze late meesterwerken waren een welkome aanvulling op zijn bekende strijkkwartet uit 1893.